Auktje Ida Johanna Hilbrands
1 januari 1923 – 1 juni 2013
1 vrouw
2 achterkleinkinderen
3 liefdes
4 kinderen
5 woonplaatsen
6 kleinkinderen
Tig handwerktechnieken
Ontelbare herinneringen
~~~
6 juni 2013
Er zijn momenten in het leven dat het precies de juiste tijd is om jezelf een essentiële en existentiële vraag te stellen.
Zoals hier en nu.
Waarom, in vredesnaam, leeft een mens jaar in jaar uit om op een onbenullig en onvermijdelijk moment 54 te worden?
Ik ben sinds vrij kort 54 en weet het antwoord.
This is why:
1 juni 2013
Als ik binnenkom zit het oude dametje netjes aangekleed in haar rolstoel aan tafel. De stoel wordt steeds groter en het dametje steeds kleiner.
‘Goeiemorgen! Ik ben het, Rita, ik hoor bij je oudste zoon P.’
Twee heldere blauwe ogen kijken me onderzoekend aan. Ik zie ze zoeken maar ze vinden geen herkenning. Mijn bestaan ligt vast in een van de omgevallen boeken uit haar boekenkast, de kast die we meestal geheugen noemen *).
‘P. kan niet komen, hij is op de fiets naar Spanje.’
‘Daar zijn het jonge jongens voor’, is het antwoord.
‘Wie zei je dat je bent?’, vraagt ze vervolgens, een beetje mompelend zodat ik het bijna niet versta.
‘Ik ben Rita! Ik ben getrouwd met je oudste zoon.’
Ergens in haar hersenen klikt een palletje tegen een ander palletje en ze glimlacht breed als ze zegt: ‘Oooo, kijk ‘ns aan, Rita!’ Ze kijkt me nu van dichtbij heel goed aan. ‘Tsjongejonge, Rita, wat ben jij oud geworden.’
Sinds bijna twee weken ben ik een 1-oudergezin. Of heb ik een 1-oudergezin. Whatever, ik redder het gezin in mijn eentje, voor een periode van bijna twee maanden.
De man is met vriend F. op contemplatieve fietstocht naar Santiago de Compostella. Waarbij ik altijd moet denken aan een composthoop, maar het schijnt een kathedraal te zijn.
Daar moeten ze op de knieën omheen kruipen, anders krijg je de Sint Jacobsschelp niet. Daarvóór moeten ze alle fietsdagen twee keer per dag stempelen en in kerken onderweg stempels halen anders geloven ze in Santiago niet dat je de hele tocht echt hebt gefietst of gewandeld. Een stempel heet in het Frans een tampon en dat is natuurlijk onbedaarlijk grappig, dat je als man een paar keer per dag doodserieus mag vragen: ‘Est ce que vous avez des tampons pour nous?’

Keiziek is een palindroom
Snotterende snotterd is een onomatopee (en een alliteratie)
Koortsige ziekte is een pleonasme
Koorts met verhoging is een tautologie
Kroost is een anagram en zeik ook.
Hoe kom je er achter dat je een gehoorbeschadiging hebt?
Misschien doordat mensen tegen je zeggen dat het hen opvalt dat je zo vaak vraagt, ‘wat zeg je?’ of omdat het je zelf opvalt dat je vaak moet vragen of mensen zich willen herhalen omdat je het niet goed hebt verstaan?
In mijn geval was mij niets bijzonders opgevallen, behalve dat ik ‘iets’ met geluid had.
Als we met vrienden samen aten en er stond muziek aan, was ik vaak degene die vroeg of de muziek zachter mocht.
Of, liever nog, had ik hem helemaal uit.
Ik vertaalde dat niet naar een gebrek aan mijn gehoor, maar meer dat ik gevoelig was voor veel lawaai.
Aan de mogelijkheid dat het leven op een moment radicaal kon veranderen, had ik nooit gedacht.
Tot het gebeurde.
Op 10 juni 2005 bij het ontwaken, tussen sluimeren en wakker in, drong een opdringerige gek mijn bewustzijn binnen.
In die nanosecondes werd ik een hoge, schelle en keiharde piep gewaar. Met mijn hoofd schudden, in mijn oor frutten, me omdraaien.
Het hielp allemaal niet. Snerpend gepiep in mijn hoofd. Alle volgende uren en dagen.
‘Wat is dit?’, schreeuwde iemand van binnen.
‘Hou op! Wees stil! Ga weg! Stop!’, riep ik terug.
Maar de piep had er lang over gedaan om het juiste moment te bepalen waarop ze haar entree kon maken, dus toen ze haar ‘moment of fame’ gevonden had, bleef ze. Ze startte als parasiet van mijn ongeluk en zou daarvan al snel het onomkeerbare middelpunt worden.
Word vrienden met je vijand
Zei de wijze vrouw
Geef de strijd op
Begraaf je gevecht
De Zomeravondcup is typisch zo’n loopje waarvan je geen verslag doet. Een loopje zoals er in Nederland honderden zijn, zo niet een paar duizend; met recht een dertien in een dozijn-loopje.
Al 32 jaar wordt de Zomeravondcup georganiseerd in Utrecht, vier afleveringen op rij in de maanden april tot en met juni. Twee keer in de buurt van atletiekbaan Maarschalkerweerd en twee keer bij Atletiekbaan Overvecht. Je loopt daardoor of in Amelisweerd, of in het gebied rond de Vecht, bij Oud-Zuilen.
Het heet de ZOMERavondcup, maar alle vier de loopjes zijn toch heus in de lente. Het klinkt natuurlijk lekker, die zomer voor het woord avond. Je zegt wel ‘wat een heerlijke zomeravond’, maar je zegt minder prettig ‘wat een lekkere lenteavond’. Op de een of andere manier rollen die woorden niet goed in je mond.
Mijn moeder is grappig en levenslustig. Ze is gezellig en sociaal. Ze houdt van spelletjes en van plagen.
Maar mijn moeder zit in een dipje en heeft de blues. Haar geest is járen jonger dan haar fysiek. Daar heeft ze het moeilijk mee, en dat begrijp ik beter dan dat zij denkt dat ik het begrijp.
Mijn moeder heeft de rollatorblues; ze weet dat ze eraan toe is, maar geeft dat nog niet toe.
Van beroep ben ik adviseur. Dat betekent dat ik andere mensen dingen aanprijs die ík belangrijk vind in de hoop dat ze naar me luisteren en die dingen overnemen.
Ik ben goed in mijn beroep. Behalve als het aankomt op het adviseren van mijn moeder. Zij legt al mijn goedbedoelde adviezen vakkundig en definitief ter zijde.